Onbepaalde schaal, 9,8 x 11,8 cm; in Antonio de HERRERA, Novus Orbis sive Descriptio Indiae Occidentalis, Amstelodami, Colijn, 1622.
VH 19.269 C Drukw.
Antonio de Herrera y Tordesillas (1559-1625), historicus der Spaanse koningen van Filips II tot Filips IV, was de auteur van een Historia General de los Hechos de los Castellanos en las Islas y Tierra firme del Mar Oceano, waarvan de 4 delen van 1601 tot 1615 te Madrid verschenen. Dit werk was zeer volledig, want door zijn funktie had Herrera toegang tot onuitgegeven officiële archieven; het verhaalt de verschillende stadia van de verovering van Amerika en bevat een beschrijving van het werelddeel. Dit hoofdstuk is hier afzonderlijk uitgegeven in een Latijnse vertaling door Caspar Barlaeus. Zoals op de keerzijde van het titelblad is aangegeven bevat deze band nog andere werkjes over de Nieuwe Wereld: het verhaal van de reizen van Jacob Le Maire (Cat. nr10), een lijst der zeevaarders die door de Straat van Magellaan gevaren zijn, de omzwervingen in Amerika van Pedro Ordoñez de Cevallos tijdens zijn reis om de wereld, en een beschrijving van het kontinent getrokken uit de Geografische Tabellen van Petrus Bertius.
Bovenaan de titelplaat zijn Azteekse goden afgebeeld, die dank zij hun symbolen gemakkelijk te identificeren zijn. Dit is zeldzaam genoeg om er dieper op in te gaan, want gewoonlijk werden de attributen der verschillende godheden door de Spaanse kroniekschrijvers nogal dooreen gehaspeld. Zo kan men van boven naar onder en van links naar rechts herkennen: Mictlantecutli, god van de onderwereld; de regengod Tlaloc; een god en een keizer die niet thuis te brengen zijn; Huitzilopochtli, god van de oorlog en de middagzon; de windgod Ehecalt; één van de Centzon Totochtin, de voor de dronkenschap verantwoordelijke godheden van de overvloed; en tenslotte een zeer karakteristieke Azteekse tempel.
Onderaan het titelblad staat een kaart van het kontinent in een trapezoïdale projektie. Californië is er als een eiland op voorgesteld, hoewel alle kartografen, van Gastaldi in 1546 tot Willem Blaeu in het begin van de 17e eeuw, het afgebeeld hadden als het schiereiland dat het in werkelijkheid is: het gebied was immers tussen 1533 en 1542 onderzocht door Spaanse zeevaarders, waarvan de laatste, Juan Rodriguez de Cabrillo, 40° Noorderbreedte had bereikt. Maar in 1602, bij de terugkeer van een expeditie onder leiding van Sebastian Vizcaino, bracht broeder Antonio Ascension de hypothese in omloop dat Californië een eiland was, en vervaardigde kaarten waarop het zo werd voorgesteld. Volgens Tooley werd rond 1620 een dergelijk handschrift aan boord van een buitgemaakt Spaans schip gevonden door Nederlanders, die voor de verspreiding van het dokument zorgden. In de loop van de volgende decennia volgden meerdere kartografen, en niet van de minste, de Spaanse theorie : Henry Briggs, John Speed, Joannes Janssonius, Nicolas Sanson, Frederik De Wit en anderen. De Descriptio Indiae Occidentalis bevat twee voorstellingen van het werelddeel: de kaart op het titelblad die, steeds volgens Tooley, de eerste is die Californië als een eiland voorstelt, en een tweede kaart tegenover folio 1, die reeds voorkomt in de uitgave van 1601, en waarop Californië als een schiereiland is afgebeeld. De uitspraak van Tooley moet echter gerelativeerd worden, want in hetzelfde jaar 1622 verscheen bij dezelfde uitgever, Michel Colijn, het Journael der Australische Navigatie, Door den Wijt vermaerden ende cloeck-moedighen Zeeheldt, Jacob Le Maire, het journaal van de expeditie, dat door de Verenigde Oostindische Compagnie aan Jacob's vader gegeven was; op het titelblad ervan staat een wereldkaart waarop Californië als een eiland voorkomt. De auteur van beide kaarten moet dezelfde geweest zijn want, hoewel de projekties verschillend zijn, vertoont het Noorden van Amerika dezelfde, zeer karakteristieke, vorm.
Nog een ander element trekt inderdaad de aandacht: de vorm gegeven aan het Noorden van Noord-Amerika gelijkt op die welke men vindt op wereldkaarten uit het laatste decennium van de 16e eeuw, zoals die van Petrus Plancius en Giuseppe Rosaccio. Er ligt een duidelijke doorvaart tussen het kontinent en de pool, waaraan Groenland en wat misschien Baffinsland is vastzitten. Vanaf 1605-1606 gaan de kaarten slechts tot 70° Noorderbreedte, en het uiterste Noorden van het werelddeel wordt niet meer afgebeeld. De hier tentoongestelde kaart behoort dus niet tot dit type, maar knoopt aan bij een oudere traditie.
Breng me naar: Wereldkaarten en kaarten van Amerika / Kaarten van Noord-Amerika / Kaarten van Midden- en Zuid-Amerika / Inleiding
Terug naar: de homepage van de KBR