Martin WALDSEEMUELLER, Ptolemaei Geographia

Straatsburg, Schott, 1513.

Inc. C 202 LP

De verschillende uitgevers van de Geographia van Ptolemaios (ca 100-ca 170) deden pogingen om de kaarten die bij de tekst hoorden te moderniseren. Dit gebeurde op verschillende manieren: ofwel werden, wat vanaf de uitgave van 1482 het geval was, nieuwe kaarten bijgevoegd; ofwel werd, zoals in de uitgaven van 1508 en 1511, een nieuwe wereldkaart opgenomen; ofwel werden de oude kaarten aan de hand van zeekaarten bijgewerkt, zoals gebeurde in de Venetiaanse uitgave van 1511. Voor zijn in 1513 te Straatsburg verschenen editie van het werk van Ptolemaios, de Aardglobe, gebruikte Martin Waldseemüller (1470-1521) nog een andere methode. Deze uitgave bekleedt een belangrijke plaats in de geschiedenis van Ptolemaios' werk, en bleef 25 jaar lang een voorname bron van geografische en kartografische gegevens, tot in 1540 te Bazel een nieuwe editie van de Geographia verscheen, verzorgd door Sebastian Münster.

Aan de 27 kaarten uit vorige uitgaven, die ook in deze postinkunabel voorkomen, voegde Waldseemüller 20 nieuwe, op hout gegraveerde "moderne" kaarten toe. Het eerste deel van het werk kan dus beschouwd worden als een historische atlas, terwijl het tweede een aanvulling met eigentijdse kaarten vormde. Deze nieuwe uitgave werd gepatroneerd door Ren‚ II, hertog van Lotharingen, en sproot voor uit de enge samenwerking tussen twee leden van het Gymnasium Vosagense te Saint-Dié: Martin Waldseemüller en Matthias Ringmann (1482-1522). De voorbereiding ervan duurde van 1507 tot het verschijnen in 1513. Een heruitgave in 1522 door Lorenz Fries (ca 1490-ca 1532) zorgde voor een snelle verspreiding van het werk: Fries verkleinde het formaat der kaarten uit de editie van 1513, zodat het werk handelbaarder en meer populair werd. De naam van het nieuw ontdekte kontinent werd in dit werk afgeleid van die van de Florentijnse zeevaarder en ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci (1451-1512). Het Gymnasium van Saint-Dié had immers in 1504 een werkje gepubliceerd waarin een brief van Vespucci voorkwam over zijn derde reis naar de Novus orbis, Zuid-Amerika. Drie jaar later, in 1507, liet Waldseemüller te Straatsburg een wereldkaart verschijnen, de Universalis cosmographia, waarop hij de naam "America" gaf aan het Zuiden van het pas ontdekte werelddeel; het Noorden was nog slechts vaag gekend.

In hetzelfde jaar 1507 vervaardigde Waldseemüller een wereldbol waarop eveneens de naam "America" voorkwam (Cat. nr3). De groep geografen en kartografen van Saint-Dié was ten zeerste geïnteresseerd in de verslagen van Spaanse en Portugese reizigers over ontdekkingen en exploratietochten in de Nieuwe Wereld. Zij poogden dan ook de beschrijvingen der pas ontdekte gebieden in hun kaarten op te nemen. Zo bracht Waldseemüller op zijn wereldkaart van 1507 gegevens aan afkomstig van Italiaanse kaarten, die zelf gebaseerd waren op de verhalen van Marco Polo (1254-1324). Ook de door de Deense aardrijkskundige Claudius Clovis (1388-?) verstrekte inlichtingen over de Mare glaciale en Engronelant kwamen er op voor, evenals de uit verslagen van Portugese zeevaarders bekende Caput de bona speranza.

Waldseemüller schijnt zich er tussen 1507 en 1513 rekenschap van gegeven te hebben dat Christoffel Columbus de ware ontdekker van Amerika was. In zijn hier tentoongestelde Tabula Terre nove poogde hij dan ook zijn ongerechtvaardigde toeschrijving aan Vespucci te verbeteren door het nieuwe werelddeel helemaal geen naam te geven. Daarenboven schreef hij op de kaart (de tweede van het tweede deel van de In Claudii Ptolemei Supplementum) Hec terra cum adiacentib[us] insulis inuenta est per Colum[m] ianuensem ex mandato Regis Castello: "Dit land met de eilanden voor de kust werd ontdekt door de Genuees Columbus in opdracht van de koning van Castilië". Het was te laat: de naam "America" was reeds aangenomen door kartografen, aardrijkskundigen en schrijvers. De vergissing van Waldseemüller wordt begrijpelijk wanneer men beseft dat het een hele tijd geduurd heeft voor het belang van de Nieuwe Wereld op zijn volle waarde geschat werd. De kennis van de identiteit, de naam en de bijdrage van de personen die een rol gespeeld hadden in de ontdekking bleef lange tijd verward. De geleerden en het grote publiek legden geen verband tussen de door Columbus ontdekte eilanden en de ontdekkingen op het vasteland die gedurende de twee decennia na 1492 in snel tempo verricht werden door de grote Genuees zelf, Vespucci, Alonso de Ojeda en anderen. Daarenboven dachten Waldseemüller en Ringmann dat Columbus alleen de Antillen ontdekt had. Bij zijn derde reis in 1498 had de grote ontdekkingsreiziger weliswaar de kust van Zuid-Amerika bereikt, maar het was Amerigo Vespucci die er als eerste nauwkeurige inlichtingen over gaf en als eerste - terecht - suggereerde dat de pas ontdekte gebieden tot een nieuw werelddeel behoorden, en geen deel waren van Indië of China. Daarbij was in Duitsland tot 1507 alleen de eerste van Columbus' vier reizen door een geschreven verslag bekend.

De juiste rol van elk van onze twee aardrijkskundigen bij het voorbereiden van deze uitgave van Ptolemaios' Geographia is omstreden. De meningen van de historici der kartografie zijn verdeeld, maar over het algemeen wordt de tekst toegeschreven aan Matthias Ringmann, de kaarten aan Martin Waldseemüller.

Deze post-inkunabel uit 1513 is waarschijnlijk de belangrijkste van alle uitgaven van de Geographia, en dit door de aanwezigheid van meerdere nieuwe regionale kaarten. Alle 47 kaarten in het werk zijn gegraveerd op hout, een techniek waaraan Waldseemüller de voorkeur gaf op kopergravure. In de eerste reeks van 27 oude kaarten is de belangrijkste waarschijnlijk de nieuwe wereldkaart Orbis typus universalis. Deze volgens een gewijzigde kegelprojektie getekende ptolemaïsche kaart gaat tot de gebieden boven 65° NB, de Mare congelatum. Een belangrijke wijziging aan de traditionele ptolemaïsche opvattingen bestaat uit het niet langer voorstellen van de Indische Oceaan als een binnenzee: de landstrook die Afrika met Azië verbond is verdwenen. De kaart wordt omringd door de elementen die gewoonlijk op een ptolemaïsche wereldkaart voorkomen: lengte- en breedtegraden, klimaten en allegorische voorstellingen der twaalf winden en hun richtingen. De overige ptolemaïsche kaarten in het werk zijn getekend volgens de door Nicolaus Germanus (ca 1420-1490) in de Ulmer uitgave van 1492 gebruikte trapezoïdale projektie; alle "moderne" kaarten behalve nr 8, Noord-Europa, zijn uitgevoerd in een vlakke vierkantsprojektie, en dragen breedte-, maar geen lengtegraden.

In het supplement is de Tabula Terre nove zeker de belangrijkste der 20 kaarten. De direkte bron ervan is een wereldkaart die Nicolo de Caveri tussen 1502 en 1506 naar een Portugees voorbeeld vervaardigde voor René II van Lotharingen. Ook opmerkelijk aan deze uitgave is het feit dat in de lijsten van geografische koördinaten in Boeken II tot VIII de aardrijkskundige namen van Ptolemaios voor het eerst in de oorspronkelijke Griekse vorm naast de Latijnse voorkomen.

De twintig "moderne" kaarten kunnen in drie grote kategoriën verdeeld worden:

  1. de kaarten van nieuwe gebieden die zonder merkbare wijzigingen van Portugese portulanen zijn overgenomen
  2. kaarten die met of zonder veranderingen op zeekaarten gebaseerd zijn
  3. door Waldseemüller persoonlijk ontworpen kaarten van landen en streken.

De voornaamste bron van Waldseemüller's Tabula Terre nove is de wereldkaart van Nicolo de Caveri of Canerio, die tussen 1502 en 1506 te Lissabon werd uitgegeven. Dit werd voor het eerst opgemerkt door L. Gallois in 1890, en in 1903 bevestigd door Joseph Fischer en Fr. von Wieser. Van deze kaart heeft Waldseemüller de algemene vorm en de plaatsnamen van de Nieuwe Wereld overgenomen. Een andere bron wordt gevormd door Spaanse kaarten, zoals de in 1511 te Sevilla uitgegeven kaart van Indië van Petrus Martyr d'Anghiera.

De Tabula Terre nove geeft een betrekkelijk gedetailleerd beeld van het centrale deel van de Atlantische Oceaan. Er rond liggen een deel van Zuid-Amerika en de door Columbus ontdekte eilanden. Waldseemüller plaatst namen in de kuststreken, maar het binnenland is nog terra incognita. De kaart wordt doorsneden door de evenaar en de keerkringen, en gaat van 45° NB tot 35° ZB. In de rechter benedenhoek staat in de rand dat elk der schaalverdelingen overeenstemt met 10 Italiaanse mijlen. Interessant is dat er op de Tabula Terre nove, zoals op de meeste kaarten uit het begin van het tijdperk der Ontdekkingen, een aanzienlijk verschil in schaal bestaat tussen de Oude en de Nieuwe Wereld. Het eiland Isabella (Cuba) dat Waldseemüller in zijn Universalis cosmographia op de Kreeftskeerkring geplaatst had, ligt er nu boven. De eilanden Spagnolla (Haïti), Boriquen (Puerto Rico ?), dat der Elfduizend Maagden en Marie-Galante bevinden zich op deze kaart alle boven de keerkring, hoewel zij er in werkelijkheid onder liggen. De twee Amerikaanse subkontinenten zijn verbonden door een rechte kustlijn; deze voorstelling komt ook voor op de Carta de navigar uit 1502 van Alberto Cantino. Tussen 35° en 40° NB tekent Waldseemüller wat blijkbaar de Golf van Mexico is. De namen der kustplaatsen aan deze golf zijn grotendeels fantaisistisch; de Westkust is blanco gebleven. De waterloop in het uiterste Westen van de Golf is waarschijnlijk de Mississippidelta. De namen der kustplaatsen in het Noordoosten van de Golf tot C. del mar usiano hebben daarentegen niets met de werkelijkheid te maken. Aan de Noord- en de Noordoostkust van Zuid-Amerika kunnen echter enkele plaatsen geïdentificeerd worden, zoals Arcay, het huidige Guajira, de eerste naam in het Noorden van het subkontinent. Ten Noordoosten ervan geeft Waldseemüller de naam Insula Gigantii aan Curaçao, en Oostelijk daarvan is do Brasil het tegenwoordige Bonaire.

Waldseemüller's Geographia-uitgave van 1513 bekleedt een speciale plaats in de Westerse Ptolemaios-traditie, en werd tussen 1520 en 1541 herhaaldelijk opnieuw gepubliceerd. In 1520 verzorgde Johann Schott een tweede uitgave, met dezelfde kaarten, onder de titel Ptolemaeus auctus restitutus emaculatus. In 1522 verscheen bij Johann Grüninger te Straatsburg de reeds vermelde editie met verkleinde kaarten door Lorenz Fries. In 1525 publiceerde dezelfde Grüninger het werk met een Latijnse vertaling door Willibald Pirckheimer (1410-1530) en nota's van Regiomontanus (1436-1476). In 1535 verzorgde Miguel Serveto (1511-1553) bij Melchior en Gaspar Trechsel te Lyon een nieuwe uitgave die, met aanvullingen en verbeteringen, opnieuw gepubliceerd werd te Vienne in 1541.

In zijn inleiding vermeldde Waldseemüller "de admiraal" als bron voor de in de Tabula Terre nove gegeven inlichtingen. In de geschiedenis der kartografie staat zij dan ook bekend als "de kaart van de admiraal".

Bibliografie


Breng me naar: Wereldkaarten en kaarten van Amerika / Kaarten van Noord-Amerika / Kaarten van Midden- en Zuid-Amerika / Inleiding

Terug naar: de homepage van de KBR