Nieuwe aanwinst : Rekening met ontvangsten en uitgaven van Pieter Lanchals, de “levereter”

31/01/2018

De rekening van Pieter Lanchals(Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, Handschriftenafdeling, ms. IV 1325)

De Koninklijke Bibliotheek van België heeft op een veiling in Brugge een uitzonderlijk historisch document kunnen verwerven. De Rekening met ontvangsten en uitgaven van Pieter Lanchals werpt een nieuw licht op de werking van de Bourgondische staat in 1476-1477. Na restauratie zal dit handschrift worden getoond in het nieuwe museum gewijd aan de bibliotheek van de hertogen van Bourgondië, dat in 2019 zijn deuren zal openen.

 

(Buiten)gewone inkomsten

De rekening van Pieter Lanchals bevat de algemene ontvangsten en uitgaven van Karel de Stoute en zijn dochter, Maria van Bourgondië, tijdens de periode van 1 januari 1476 tot eind februari 1477. Het gaat om de laatste, op 3 juli 1477 afgesloten, algemene rekening voor de regeerperiode van de Bourgondische hertog Karel, bijgenaamd “de Stoute”, die tijdens de slag bij Nancy op 5 januari 1477 om het leven kwam.

Dit document op drieënzestig perkamenten bladen is het persoonlijk exemplaar van Pieter Lanchals. Het bevat de registratie van een groot deel van de “gewone” en “buitengewone” inkomsten van de Zuidelijke Nederlanden en van de gemeenschappelijke uitgaven van, met name, de “Chambre aux deniers” (de financiële hofdienst), de kamerlingen, de Krijgskas en de grensgarnizoenen.

 

Schout van Brugge

Pieter Lanchals is in Brugge geboren rond 1430-1440 als zoon van een schrijnwerker en een moeder uit het Brugse makelaarsmilieu. In zijn glorietijd bekleedt hij de functies van raadsheer en ontvanger-generaal van de Bourgondische hertog en van schout (de hoogste gerechtsambtenaar) van Brugge.

Hoewel hij dus van bescheiden afkomst is, maakt Lanchals (“lange hals”) een even flitsende als indrukwekkende carrière en bliksemsnelle sociale promotie in overeenstemming met zijn ambitie. De eenvoudige klerk in dienst van Guilbert de Ruple wordt griffier en bekleedt na de dood van zijn mentor het prestigieuze ambt van “Receveur général de toutes les finances” (Ontvanger-generaal van Financiën).

Als vooraanstaand lid van de Brugse elite en van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw, ontpopt de om zijn intelligentie beruchte staatsambtenaar zich snel tot een van de invloedrijke hovelingen van Maria van Bourgondië en wordt hij door Maximiliaan tot hofmeester (“Maistre de l’ostel”) benoemd.

 

Gehaat en benijd

Vanuit de coulissen speelt Lanchals, de schrijnwerkerszoon, steeds meer een politieke rol. Achter eer en glorie gaat echter een minder roemvolle realiteit schuil. Benijd omwille van zijn – grotendeels illegaal verworven – rijkdom en gehaat wegens zijn onvoorwaardelijke steun aan de Habsburgers en aan de autoritaire Maximiliaan, maakt Lanchals een grote schare vijanden die hem zijn voortvarende rechtspraak en zijn onrechtvaardige vonnissen verwijten. Lanchals staat aan de top van de administratieve hiërarchie maar wordt beschouwd als een symbool van verdrukking en corruptie. Hij voert een waar schrikbewind tegen de bevolking.

In 1488 keert het tij. De Vlaamse steden komen in opstand tegen het hertogelijk gezag. Naarmate de conflicten tussen Maximiliaan en de stedelijke elites van Gent en Brugge escaleren, verliest Lanchals de steun van zijn beschermheer die door de Bruggelingen wordt uitgeschakeld. Op zijn beurt wordt hij het wild waarop de nieuwe sterren aan het politieke firmament jacht maken. Hij moet vluchten en zich verbergen bij toevallige kennissen. Zijn huis wordt geplunderd en er worden beloningen uitgeloofd om hem te vatten. Hij wordt aangehouden, bespot door het gepeupel door de straten gesleept en in het Steen (de stadsgevangenis) gevangengezet.

 

De levereter

Lanchals wordt schuldig bevonden aan inbreuk op het algemeen belang van de stad en het graafschap. Als zondebok van de toen nog weinig stabiele Bourgondisch-Habsburgse staat, wordt hij veroordeeld tot onthoofding. De openbare terechtstelling vindt plaats op 22 maart. De “levereter”, zoals hij omwille van zijn laf en hebzuchtig karakter door het volk wordt genoemd, bestijgt het schavot terwijl hij zijn rechters vruchteloos smeekt om zijn straf in levenslange gevangenschap om te zetten. Zijn hoofd wordt op een spies voor de stadspoorten getoond. De autoriteiten staan wel toe dat zijn lichaam in de Onze-Lieve-Vrouwekerk wordt begraven, waarschijnlijk minder uit welwillendheid tegenover zijn familie en zijn nagedachtenis dan uit politieke berekening.

ms. IV 1325