In de voetsporen van Bart Van Loo en de Bourgondiërs

Tijdens uw bezoek vindt u de toelichtingen bij de door Bart Van Loo geselecteerde stukken op de schermen in het KBR museum. Wilt u de teksten liever rustig nalezen op uw eigen toestel of ze bij de hand houden tijdens uw parcours? Op deze pagina ontdekt u alle begeleidende teksten overzichtelijk gebundeld. In de bezoekersgids ziet u bovendien precies waar de vitrines met de geselecteerde stukken zich bevinden, zodat u de route eenvoudig kunt volgen.

Laat ik beginnen bij het einde. Bij Karel V, de laatste loot van de Bourgondische stamboom. De beroemdste Habsburger — en tegelijk de laatste Bourgondiër. 

Van zijn tante Margaretha van Oostenrijk erft hij niet alleen etiquette, maar een wereld. De pracht en het ceremonieel van Filips de Goede worden hem ingeprent, haast ritueel. En hij drinkt ervan. Gulzig. 

Hij laat Le Chevalier délibéré — de beroemde ridderroman van Olivier de la Marche, kroniekschrijver van Filips de Goede — naar het Spaans vertalen en waagt zich zelf aan een eerste aanzet. In een houtsnede verschijnt zijn overgrootvader en naamgever, Karel de Stoute: in volle wapenrusting, omgeven door voortekenen [nr. 1]. Desafío — uitdaging. Alta empresa — nobele missie. Maar vooral: desdicha — tegenspoed. Accidente — ramp. 

En dan: de Dood, die toekijkt. 

De prent wijst vooruit. Naar Nancy. Naar de donkere vlek in Huens sneeuw [A]. 

Het Insigne  Nanceidos (1518), geschreven in opdracht van overwinnaar René II van Lotharingen, zet die lijn voort [nr. 2]. Een ingekleurde houtsnede toont hoe men Karels lichaam terugvindt — tussen lichamen, tussen afgerukte ledematen. 

Daar begint de fascinatie voor de tragische dood van een heerser die onaantastbaar leek. Kroniekschrijvers melden zich. Historici volgen. 

En daar kiemt ook mijn verlangen om dit mysterieuze epos te begrijpen. 

Ons Bourgondisch epos begint met een vrouw. Haar naam? Margaretha van Male. Haar troef? Als toekomstige gravin van Artesië, Rethel, de Franche-Comté, Nevers en vooral Vlaanderen is zij de rijkste erfgename van Europa. Hertogen en koningen schuiven aan, maar vader Lodewijk van Male laat uiteindelijk zijn oog vallen op Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en de jongste zoon van de Franse koning. Op 19 juni 1369 trouwen zij in de Gentse Sint-Baafsabdij.  

Huens portretteert Filips met een luxueuze hoed — hij was een liefhebber van opvallende hoofddeksels — en tooit Margaretha met fijne margrietjes, een knipoog naar haar naam [B]. In de zestiende-eeuwse kroniek biedt de hertog haar er zelfs eentje aan [nr. 3]. Een charmant detail, maar belangrijker is dat deze verbintenis zal leiden tot het ontstaan van een nieuwe staatkundige eenheid tussen het Franse koninkrijk en het Heilige Roomse Rijk: de Lage Landen, de wieg van wat later Nederland, België en Luxemburg zal worden.  

In de Honderdjarige Oorlog heeft Filips zijn sporen al verdiend als militair leider [nr. 6]. Daaraan dankt hij zijn bijnaam: De Stoutmoedige, kortweg De Stoute. In Vlaanderen slaat hij een Gentse opstand neer. Tijdens de vredesonderhandelingen is het Margaretha die hem aanspoort een verzoenende toon aan te slaan — het verschil tussen louter overheersen en duurzaam besturen. 

Naast zijn cruciale rol in het ontstaan van de Lage Landen ligt Filips’ grootste nalatenschap wellicht op artistiek vlak [nr. 5]. 

In Champmol, nabij Dijon, laat Filips de Stoute vanaf 1383 een kartuizerklooster verrijzen dat tegelijk zijn hertogelijk mausoleum moet worden. Een plek van devotie én dynastieke ambitie. Om het geheel in passende luister te hullen, doet hij een beroep op de grootste kunstenaars uit de Nederlanden — een keuze die mogelijk wordt dankzij zijn Vlaamse huwelijk. 

Vanuit Nijmegen, Ieper, Brussel, Namen, Doornik en tal van andere steden trekken beeldhouwers en schilders naar Bourgondië. Terwijl in Champmol het ene kunstwerk na het andere gestalte krijgt, mengen allerlei varianten van Frans en Nederlands zich op de werf. Hier wordt het concept van de Lage Landen voor het eerst tastbaar: een culturele eenheid die zich in steen en verf manifesteert, nog vóór ze politiek, juridisch of monetair vorm krijgt. In onze geschiedenis gaat kunst de staatkunde vooraf. 

Het absolute hoogtepunt zijn de werken van Klaas Sluter uit Haarlem. Met de Mozesput  en de pleurants [nr. 5] voor het praalgraf van Filips de Stoute kroont Sluter zich tot de Michelangelo van de Lage Landen. 

In 1404 vindt Filips zijn laatste rustplaats onder dat met pleurants omkranste praalgraf in Champmol. Een jaar later krijgt ook Margaretha een grafmonument in de inmiddels verdwenen Sint-Pieterskerk van Rijsel, naast haar vader Lodewijk van Male en haar moeder Margaretha van Brabant [nr. 4].  

Zo markeren de graven van de Bourgondische stamouders waar hun dynastie wortel schoot: tussen Vlaanderen en Bourgondië. 

In 1385 trouwen zowel Jan zonder Vrees als zijn zus Margaretha van Bourgondië met telgen uit het Huis dat over Henegouwen, Holland en Zeeland heerst. Hun vader en huwelijksregisseur Filips de Stoute zet zo de Bourgondische poort naar de Lage Landen wagenwijd open.  

In Vlaanderen stuit Jan op taalkundige gevoeligheden: de francofone prins wordt gedwongen zijn onderdanen in het Diets toe te spreken en te schrijven — een bron van blijvende wrevel. 

Als hertog kiest hij voor de harde lijn. Hij laat de broer van de Franse koning vermoorden en ontketent daarmee een bloedige burgeroorlog tussen Armagnacs (Fransen) en Bourgondiërs. Bij Jan zonder Vrees denk je spontaan aan moordaanslagen, mislukte verzoeningen en verraad.  

Veelzeggend is zijn embleem, de schaaf: wie hem in de weg staat, wordt weggeschaafd [nr. 7, marge]. In de miniatuur zelf, in zijn persoonlijk exemplaar van het Boek over de opleiding van vorsten, prijkt een executiescène — een wrange echo van Nicopolis (1396), waar Jan machteloos moet toezien hoe zijn medekruisvaarders worden onthoofd [nr. 7]. 

Jan zonder Vrees sterft zoals hij leefde: gewelddadig. In 1419 wordt hij met een hakbijl omgebracht op de brug van  Montereau [C]. Uitgerekend tijdens een vredesconferentie tussen Fransen en Bourgondiërs, even verenigd tegen Engelse dreiging. Huens laat de Franse kroonprins ogenschijnlijk onbewogen toekijken, met een bijzonder elegant hoedje op het hoofd – hetzelfde dat hij draagt op zijn portret in het ??Louvre. 

Wat als verzoening was bedoeld, eindigt in bloed — en herschikt de machtsverhoudingen in het hart van West-Europa. 

Jans bijdrage aan de vorming van de nieuwe staatkundige eenheid blijft bescheiden. Hij huwt berekend, maar verliest zich in geweld. Na zijn gewelddadige dood treedt Filips de Goede aan — de ware aartsvader van de Lage Landen. Meer daarover op de eerste verdieping, waar je een inkijk krijgt in de boekenverzameling van de hertog. 

Een van de meest sprekende uitingen van Filips’ nalatenschap is de Orde van het Gulden Vlies (1430). ‘Vlies’ betekent hier niet velletje of weefsel, maar verwijst naar de samenhangende vlokken wol van een geschoren schaap — een discrete knipoog naar de bloeiende lakenindustrie in zijn gewesten. In de eerste plaats roept de naam het mythische Gulden Vlies op, de gouden ram begeerd door Jason en de Argonauten. Dat oeroude beeld inspireert de hanger van de keten die de ridders bij hun opname in de orde ontvangen. 

Door de hoogste Bourgondische edelen zo persoonlijk én prestigieus aan zich te binden, smeedt Filips een exclusieve, religieus geïnspireerde en tegelijk militaire netwerkclub — een eliteclub die een vermoeden van staatkundige eenheid uitstraalt. 

In de miniatuur uit Filips’ brevier [nr. 8] zien we de heilige Andreas, de apostel die volgens de overlevering stierf op een X-vormig kruis. Naast hem prijkt het naar hem genoemde Andreaskruis, dat zou uitgroeien tot het croix de Bourgogne

Al onder Filips de Stoute geldt Andreas als patroon van het Bourgondische Huis. Kleinzoon Filips de Goede verheft hem tot officiële beschermheilige van het Gulden Vlies — een keuze die dynastie en ridderorde voorgoed met elkaar verbindt. 

Op deze miniatuur in zijn persoonlijke brevier (ca. 1460) verschijnt Filips de Goede onder een baldakijn, geknield aan een bidstoel [nr. 8]. Om zijn hals draagt hij de beroemde keten van de Orde van het Gulden Vlies. In de vitrine hangt een zeventiende-eeuws exemplaar [nr. 10]; het wapenboek ernaast  toont het oorspronkelijke juweel in detail [nr. 9].  

Onderaan bengelt het gulden vlies zelf: de ramsvacht met kop en poten er nog aan. 

Twee motieven keren steeds terug. Eerst de vuurstenen, die vonken geven zodra je ze met vuurslagen treft. Die vuurslagen — metalen staafjes met gekrulde uiteinden waarin je je vingers steekt — vormen afzonderlijk de letter B van Bourgondië, maar grijpen hier per twee in elkaar: een beeld van vurige vastberadenheid én dynastieke eenheid. 

Boven op het baldakijn keren ze terug, naast het Bourgondische kruis. De tekens duiken overal op: in documenten en kunstwerken, op muren en gewaden. Kijk goed naar de vuurrode mantel van de ridderorde. Zelfs op deze kleine schaal heeft Huens de vuurslagen en vuurstenen zichtbaar in het patroon verwerkt [D].  

Verder in het parcours zult u ze terugzien in de marges van het koorboek van Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige, net als op de hoed van hun zoon, keizer Karel V. Deze heren dragen uiteraard de Gulden-Vlies-ketting. 

De orde zelf bestaat tot op vandaag — zij het in een Oostenrijkse en een Spaanse tak. 

Want tegelijk schopt hij wild om zich heen. Dinant en Luik worden met vuur en zwaard gestraft: brand, plundering, vernietiging. Wie in opstand komt, leert de meedogenloosheid van zijn gezag kennen. 

Huens kiest echter voor een moment van Luikse hoop. In een indringende clair-obscur aquarel toont hij hoe de zeshonderd Franchimontezen het Bourgondische kamp besluipen. Let op de deuken in de helmen, de tronie van de strijder rechts onderaan, de dreigende duisternis boven hen [E].  
 
Hun aanval mislukt, maar de legende is geboren. In 1914 zal koning Albert I naar hun heldenmoed verwijzen om Franstalig België moed in te spreken; de Vlamingen herinnert hij aan de Guldensporenslag. 

Ondanks de oplopende spanningen en belastingen kiezen de Bourgondische Nederlanden na Karels dood ervoor om samen te blijven. De politieke realiteit weegt zwaarder dan de wrok: liever één geheel onder Bourgondische leiding dan versnipperd in Franse invloedssfeer. Al zal dochter Maria van Bourgondië daar een prijs voor moeten betalen.  

Wie Karels rijk op de kaart bekijkt, ziet wat ook hem moet zijn opgevallen: het zwaartepunt ligt in de Bourgondische Nederlanden — de kiem van het latere Nederland, België en Luxemburg. 

Verder zuidwaarts liggen het hertogdom Bourgondië, de Franche-Comté en Nevers als verre satellieten in Frans en ander vijandig vaarwater. Die breuklijn wil Karel dichten. Met staal en snelheid probeert hij zijn rijk via de verovering van Lotharingen tot één geheel te smeden. 

Toch is hij meer dan een krijgsheer. Karel is erudiet, componeert muziek en doorspekt zijn toespraken met Latijnse citaten. Voor nieuwe handschriften ontbreekt het de voortdurend op campagne zijnde vorst aan tijd. Wel laat hij onafgewerkte manuscripten van zijn vader, Filips de Goede, voltooien met miniaturen van zorgvuldig gekozen kunstenaars. In Histoire de Charles Martel laat hij zichzelf afbeelden terwijl hij een blik werpt in een schrijfatelier — de vorst die waakt over het woord. Tegen de muur prijkt zijn devies: Je lay emprins. Ik heb het ondernomen [nr. 11]. 

Dat heeft hij zeker. Maar te voortvarend, te ongeduldig, te nietsontziend. Op 5 januari 1477 botst zijn ambitie op haar grens bij Nancy. Karel sneuvelt op het slagveld; twee dagen later wordt zijn lichaam in de sneeuw teruggevonden, aangevreten door wolven. 

Met zijn dood spat de droom van een aaneengesloten Groot-Bourgondisch rijk uiteen. De Bourgondische Nederlanden slagen erin hem te overleven — en blijven nog bijna een eeuw als samenhangend geheel bestaan. 

Over de miniatuur in de Histoire de Charles Martel [nr. 11]

Tegen de muur hangt ook een spiegel, waarin de miniaturist Loyset Liédet zichzelf heeft vereeuwigd. Hij moet het Arnolfini-portret van Jan van Eyck aandachtig hebben bestudeerd: ook daar speelt de spiegel een sleutelrol in het spel tussen maker en voorstelling. 

Bij Van Eyck prijkt eveneens een tekst op de muur. Geen hertogelijk devies zoals hier, maar een uitgesproken persoonlijke signatuur: Johannes de Eyck fuit hic — Jan van Eyck was hier. 

In beide werken kruisen twee vormen van aanwezigheid elkaar: de vorst of burger die zijn macht of rijkdom etaleert, en de kunstenaar die, subtiel maar onmiskenbaar, zijn auteurschap vastlegt. Macht en makerschap, weerspiegeld in glas. 

Karels derde echtgenote, Margaretha van York, zal hem lang overleven. Vanaf 1468 ontfermt zij zich over haar stiefdochter Maria, later over haar stiefkleinzoon Filips de Schone, en zelfs over de jonge Karel, de toekomstige keizer, die zij nog als baby in haar armen houdt.

 

Haar man ziet zij zelden. Terwijl Karel oorlog voert heeft Margaretha alle tijd om zich aan haar geliefde bibliofilie te wijden. Zo bestelt ze Benois seront les misericordieux (Zalig de Barmhartigen), de Franse  vertaling van een devoot Latijns traktaat, en laat het rijkelijk verluchten [nr. 13].  

Op folio 17r laat ze zich vereeuwigen, geknield achter een bidbank met haar wapenschild. De Franse lelies en Engelse luipaarden verraden haar afkomst: Margaretha is een telg uit de York-dynastie die aanspraak maakt op zowel de Franse als Engelse kroon. 

Achter haar ontvouwt zich Brussel: links de Zavelkerk, rechts het stadhuis, centraal de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk, pas veel later kathedraal. De miniatuur ademt haar band met de stad, waar zij vaak verblijft op de Coudenberg. 

In de initiaal verschijnen de letters C en M — Charles en Marguerite. Alsof zij, geknield in verf en goud, bidt om harmonie in een huwelijk dat haar weinig geluk brengt. 

Op 13 maart 1482, amper vijf jaar na Nancy, treft het noodlot opnieuw het Bourgondische huis. Tijdens een jachtpartij bij het kasteel van Wijnendale werpt de 25-jarige Maria van Bourgondië haar valk op en spoort ze haar paard aan een sloot te nemen — routine voor een ervaren amazone. Tot het dier struikelt over een afgehakte stam en uitglijdt. 

Huer peert subbelde, so dat si viel vanden peerde’, noteert Anthonis de Roovere in de Excellente Cronike van Vlaenderen. Zo begint een van de meest becommentarieerde valpartijen uit onze geschiedenis — slechts geëvenaard door die van Albert I in 1934. Maria komt neer op de stam; het paard boven op haar. Twee weken later bezwijkt ze in Brugge aan haar verwondingen. 

 Een ingekleurde pentekening in de Excellente Cronike (na 1485) toont haar nog fier te paard [nr. 14]. Jean-Léon Huens schildert het ogenblik erna zoals alleen hij dat kan: het rode kleed, de gespreide armen, de val die haast esthetisch lijkt — maar fataal is [F]. 

De Lage Landen blijven verweesd achter. Maximiliaan van Oostenrijk behoedt onze gewesten weliswaar voor Franse inlijving, maar voert ze vervolgens een niets ontziende burgeroorlog in. Zo gaat het Bourgondische huis langzaam op in de Habsburgse dynastie. 

Na de dood van Maria van Bourgondië en de woelige regentschapsjaren van weduwnaar Maximiliaan van Oostenrijk breekt in 1494 het tijdperk van hun zoon Filips de Schone aan. Officieel was hij al vorst, maar als zestienjarige neemt hij nu zelf het bewind op. Hij kiest voor een gematigder koers en houdt meer rekening met de gevoeligheden van zijn gewesten. 

Achter in een vuistdik boek – niet minder dan vijftien kilo – duikt onverwacht een glimp van zijn jeugd op. Het gaat om het vierde deel van de Histoire de Charles Martel, afkomstig uit de bibliotheek van overgrootvader Filips de Goede [nr. 15]. Op de allerlaatste bladzijde lezen we: “Cest livre appartient à Philippe”. Dit boek behoort toe aan Filips — en daarmee wordt wel degelijk Filips de Schone bedoeld, zoon van Maria van Bourgondië, vader van de latere keizer Karel. 

Dan volgt de regel die het zware boek plots lichter maakt: “(Philippe) dit autrement Lippeque”. Jawel: “Filips, oftewel Lippeke”. Een Vlaamse verkleinvorm, maar dan op zijn Frans geschreven — het lijkt wel ons land samengevat in één zin. 

Was het een speelse knipoog naar zijn opvallende Habsburgse lip? Of gewoon een koosnaam? Wat het ook zij, even horen we het dagelijkse leven. Alsof stiefoma Margaretha van York hem toespreekt: “Maar Lippeke toch!” 

Op 20 oktober 1496 trouwen Filips de Schone en Johanna van Castilië in Lier. Op Huens’ aquarel verschijnt het jonge paar tegen de achtergrond van de Brusselse stadsomwalling en de tuinen van de Coudenberg [G]. 

Door een reeks van onverwachte sterfgevallen groeit hun huwelijk uit tot de dynastieke koppeling van het millennium. Hun zoon Karel V zal niet alleen soeverein van de Lage Landen en keizer van het Heilige Roomse Rijk worden, maar ook koning van Spanje.  

In een koorboek, speciaal voor het hof vervaardigd aan het begin van de zestiende eeuw, zien we Filips — “Lippeke” — met zijn licht geprononceerde Habsburgse onderlip en de keten van het Gulden Vlies; Johanna lijkt verdiept in gebed [nr. 17]. Het boek ligt open op een mis van Josquin des Prez. 

Die muziek behoort tot de polyfonie van de zogeheten Franco-Flamands. Hun meerstemmigheid onderscheidt zich van het gregoriaanse eenstemmige gezang dat kerken en abdijen vult. Polyfonie is duur en vernieuwend, een kunstvorm voor vorsten met culturele ambitie. 

Meesters als Guillaume Du Fay en Gilles Binchois in de tijd van Filips de Goede, later Pierre de la Rue en Josquin aan het hof van Filips en Margaretha van Oostenrijk, verlenen het Bourgondisch-Habsburgse bewind een sonore grandeur. 

Zo wordt dit koorboek meer dan een liturgisch object. Het belichaamt een wereld waarin macht, devotie en muziek samenvallen — en waarin een dynastiek huwelijk weerklank vindt in polyfone pracht. 

Over de Franco-Vlaamse polyfonisten

Het betreft voornamelijk componisten uit het bekken van de Schelde en de valleien van Leie, Scarpe, Aa en Henne — rivieren die door het huidige noorden van Frankrijk, Vlaanderen, Brabant en Henegouwen stromen. Het lijken wel aders van inspiratie: alsof wie van hun water dronk, bijna vanzelf tot de polyfonie werd bekeerd. Over de term ‘Franco-Flamands’ bestaat discussie; in wezen gaat het om meesters uit de Lage Landen. Ook “Vlaamse polyfonisten” circuleert, waarbij Vlaanderen fungeert als pars pro toto voor een ruimere regio. 

Het blijft een wonder hoe in de polyfonie elke stem haar eigen weg gaat en tegelijk de andere stemmen ritmisch en melodisch imiteert. Geef u, beste lezer, eens over aan de muziek van Guillaume Du Fay of Gilles Binchois, vroege grootmeesters van deze nieuwe stroming. Luister bijvoorbeeld naar Les très doulx yeux du viaire ma dame van Binchois — bijvoorbeeld in de mooie vertolking van Graindelavoix (2007) — of naar Du Fay’s Par droit je puis bien complaindre et gemir, heerlijk gezongen door het Ensemble Gilles Binchois. 

Voor het spectaculaire Banket van de Fazant in het Rijselse Palais de la Salle componeert Du Fay een lied waarin Filips’ verlangen om Constantinopel te bevrijden van de moslims doorklonk. Zijn Lamentatio sanctae matris ecclesiae Constatinopolitanae (‘Klaagzang van de Heilige Moederkerk van Constantinopel’) is ondanks de Latijnse titel een Frans lied waarin de Moederkerk de Bourgondische ridders van het Gulden Vlies om hulp roept; in het KBR-museum kun je die horen in een uitvoering van Gothic Voices. Op het banket werd de Moederkerk verpersoonlijkt door een als vrouw verklede man op een olifant gezeten, een gigantische automaat die, te midden van de meeste extravagante gerechten, de zaal kwam binnengewaggeld. 

 

Het moet Filips de Goede hebben behaagd dat Du Fay en Binchois zowel kerkelijke als wereldlijke muziek componeerden. Zij overbruggen met zwier de kloof tussen gewijd en alledaags, tussen het cerebrale en het sensuele – muziek op de ziel gesneden van een hertog die zich niet in één hokje laat vangen. 

Dit Rad van Fortuin — ca. 1460, miniatuur toegeschreven aan Simon Marmion, ook wel ‘de Prins der verluchters’ genoemd — lijkt haast geschilderd voor Margaretha van Oostenrijk, die het handschrift in 1511 aankoopt [nr. 21]. Wie haar levensloop overziet, begrijpt waarom. 

Ze is twee jaar als haar moeder Maria van Bourgondië sterft. Drie als ze wordt uitgehuwelijkt aan de Franse kroonprins. Dertien als ze van het Franse hof wordt verstoten. Zeventien als ze in Spanje belandt aan de zijde van kroonprins Johan van Aragón — en nog altijd zeventien als hij onverwacht sterft. Niet veel later brengt ze een doodgeboren dochter ter wereld. 

Op haar eenentwintigste huwt ze met de hertog van Savoye. Op haar vierentwintigste is ze opnieuw weduwe. Op haar vijfentwintigste weigert ze een huwelijk met de Engelse kroonprins. Op haar zesentwintigste verliest ze haar broer Filips de Schone. 

Zelf schrijft ze: 

Zal ik steeds zo in verlangen staan? 

Zal ik ooit aan dit lijden vergaan? 

Zal dan niemand ooit mijn leed verstaan? 

Te lang al draag ik ’t, sinds kinderdagen aan. 

Op haar zevenentwintigste (1507) neemt ze de uitdaging van haar leven aan: als tante ontfermt ze zich over de latere keizer Karel, als landvoogdes aanvaardt ze het bestuur over de Bourgondische Nederlanden.  

Ze had koningin van Frankrijk, Spanje en Engeland kunnen zijn. 

Ze zal uitgroeien tot de ongekroonde koningin van de Bourgondische Nederlanden [H]. 

Brussel, Paleis op de Coudenberg, 25 oktober 1555. In de Aula Magna, de schitterende pronkzaal van voorvader Filips de Goede, doet keizer Karel V uitgeput afstand van de troon. Het lutherse vraagstuk is hem ontglipt, de Nieuwe Wereld baart zorgen, zijn rijk is te uitgestrekt — de zon gaat er nooit onder — en de jicht vreet aan hem.  

De keizer die zijn carrière begon als Bourgondische Lagelander — Huens toont hem met het Gulden Vlies en Bourgondische vuurslagen op zijn hoed [I]— trekt zich terug in Spanje. Drie jaar later sterft hij er.  

  

Op 29 december 1558 vertrekt vanop de Coudenberg een imposante rouwstoet naar de Sint-Goedelekerk [nr. 22]. Achter houten hekken verdringen de toeschouwers zich. Blikvanger is een praalwagen in de vorm van een reusachtig galjoen. Vier zeepaarden lijken het schip voort te trekken, maar in werkelijkheid slepen onzichtbare mannen het gevaarte vooruit — als galeislaven in de buik van het schip. Een ongewild, wrang beeld voor het lot van indianen en Afrikaanse slaven in het koloniale rijk. 

Achter het galjoen torsen zeeolifanten de zuilen van Hercules, het klassieke einde van de wereld dat onder Karel definitief werd verlegd. Op vaandels prijkt zijn devies: Plus Oultre — steeds verder. Maar hier, vandaag, eindigt het. 

Met deze plechtigheid wordt niet alleen een keizer, maar ook een tijdperk begraven. In een ceremonieel van uiterste luister draagt men de laatste Bourgondiër ten grave. Met Karel V dooft de traditie van Bourgondische pracht en praal. Voortaan zal Spaanse gestrengheid zegevieren. 

Halverwege de vijftiende eeuw regeert Filips de Goede over de Lage Landen, met Brussel als machtscentrum. Hij breidt het paleis op de Coudenberg uit met de imposante Aula Magna, een zaal met een overspanning van veertig meter die elke bezoeker sprakeloos achterlaat [nr. 23].  

Op diezelfde plek doet Karel V in 1555 afstand van de troon. Toch is het vooral zijn zus, Maria van Hongarije, die van hieruit jarenlang het bestuur over de Nederlanden waarneemt terwijl Karel zich ontfermt over de rest van zijn immense rijk. In haar portret verwerkt Huens subtiel de door haar toegevoegde gaanderij — en laat hij mooi zien hoe macht en architectuur in elkaar overvloeien [J]. 

Op 3 februari 1731 breekt brand uit [nr. 24]. Een onoplettende kok? Een slecht gedoofde haard? De oorzaak blijft in nevelen gehuld, maar de vlammen grijpen genadeloos om zich heen. Wat overblijft is een rokende ruïne — van de Aula Magna resten slechts geschroeide muren. 

In allerijl probeert men de kostbare handschriften uit de bibliotheek van de Bourgondische hertogen te redden. Terecht: in de late ??middeleeuwen vertrouwden deze grondleggers van de Lage Landen hun boeken toe aan de grootste kunstenaars van hun tijd, die de manuscripten verrijkten met sublieme miniaturen. 

Vandaag bevindt een derde van deze uitzonderlijke collectie zich nog steeds in Brussel — het is de schitterende kiem waaruit de Koninklijke Bibliotheek (KBR) zal opschieten.  

Op de bovenverdieping krijgt u een intieme blik in deze schatkamer, met name in de collectie van Filips de Goede  — een wereld waar schoonheid en macht gulzig in elkaar opgaan, grootse kunst op de kleinste oppervlakte.